Amsterdamse trams
Bekijk gerestaureerde Amsterdamse motorwagens, bijwagens, gelede trams, werkwagens en metro-erfgoed uit de collectie van de Museumtramlijn.
Van vroege trams tot metro-erfgoed
Deze collectie toont de ontwikkeling van het Amsterdamse openbaar vervoer, van de eerste elektrische trams tot het metrostel Zilvermeeuw.
5 secties, 32 objecten
Kies direct een sectie of bekijk de volledige lijst.
Amsterdamse motorwagens
1
Deze voertuigen, in 1927 gebouwd door Werkspoor (Zuilen), reden aanvankelijk in Utrecht (GTU). In 1939, kort voor de oorlog, werden twaalf van deze wagens naar Amsterdam overgebracht als de serie 1–12. In de jaren vijftig werden ze vernummerd tot 301–312 om dubbele nummers en verwarring met bestaande wagennummers te voorkomen. Zodra de tijd het toelaat, restaureren we deze voormalige 301 terug naar de oorspronkelijke staat als wagen 1.
72
De Amsterdamse motorwagen 72 is een van de slechts drie bewaard gebleven Amsterdamse tweeassers uit een totaal van 215. Ze werden tussen 1902 en 1905 gebouwd door drie fabrikanten: Raba Györ in Hongarije, Werkspoor Amsterdam en Van der Zypen in Keulen. Alle wagens waren voorzien van elektrische installaties van de Union Elektrizitäts‑Gesellschaft. De naam “Union” stond in sierlijke letters op de schakelkasten en werd al snel de bijnaam waarmee het Amsterdamse personeel deze trams aanduidde.
144
Deze motorwagen kwam in 1904 in dienst en werd als onderdeel van de serie 15–229 gebouwd door de Ungarische Waggon- und Maschinenfabrik A.G. in Győr (Raab), Hongarije. De wagens bleven in gebruik tot de opheffing van de pendellijn naar Sloterdijk op oudejaarsavond 1950.
307
Na de aanschaf van 229 elektrische motorwagens tussen 1900 en 1905 werden de voormalige paardentramwagens als bijwagens gebruikt. Na verloop van tijd ontstond ook behoefte aan bijwagens die speciaal voor elektrische exploitatie waren gebouwd. De eerste nieuwgebouwde serie van twintig bijwagens werd in 1910 door Werkspoor geleverd en kreeg de nummers 401–420. Anders dan destijds gebruikelijk hadden deze trams omklapbare dwarsbanken. Ook konden de drie zijramen ver omlaag worden geschoven, zodat de wagens in de zomer als halfopen wagens konden worden gebruikt. Daarom werden ze “seizoenwagens” genoemd.
401
Sinds de start van de Museumtramlijn in 1975 is motorwagen 401 een vertrouwde verschijning. In 1967 maakte de wagen zijn laatste rit in de Amsterdamse lijndienst. Nog voordat die afscheidsrit was voltooid, was de tram al aan de collectie toegevoegd.
454
Vanwege de uitbreiding van Amsterdam schafte de Gemeentetram in 1929 in totaal 50 motorwagens en 30 bijpassende bijwagens van het grote type aan. Opvallend waren de langsbanken, die al snel werden verzaagd tot dwarsbanken met aan één zijde tweezitsbanken. De zitplaatsen stonden tegenover elkaar, behalve naast de eindschotten, waar de dwarsbanken behouden bleven. De bijwagens reden vrijwel altijd achter de bijpassende blauwe motorwagens 396–445, maar werden soms ook aan de Grootbordes-motorwagens gekoppeld.
464
Vanwege de uitbreiding van Amsterdam schafte de Gemeentetram in 1929 50 motorwagens en 30 bijpassende bijwagens van het grote type aan. Opvallend waren de langsbanken, die al snel werden omgebouwd tot dwarsbanken met aan één zijde tweezitsbanken. De zitplaatsen stonden tegenover elkaar, behalve naast de eindschotten, waar de dwarsbanken behouden bleven. De bijwagens reden vrijwel altijd achter de bijpassende blauwe motorwagens 396–445, maar werden ook aan de Grootbordes-motorwagens gekoppeld.
465
In 2002 keerde de gerestaureerde wagen 465 terug in dienst op de Museumtramlijn. Tot 1997 kon deze eenrichtingstram niet in de reizigersdienst op de lijn naar Amstelveen worden ingezet, omdat er geen keergelegenheid was. De wagen werd daarom omgebouwd tot “Boekentram”, de voorloper van de huidige Museumwinkel, en bij het eindpunt geplaatst. Het is dezelfde tram die op 20 september 1975 de openingsrit reed.
468
De 468 komt uit de serie 446–475, die in 1929 werd gebouwd door de firma Beijnes in Haarlem. De wagen kreeg de bijnaam “Blauwe Wagen” vanwege de kenmerkende blauwe GVB-kleurstelling uit die tijd. Tussen 2021 en 2026 onderging de wagen een grote revisie. Hij wordt vooral ingezet voor stadsritten.
533
Al in de jaren dertig bestonden plannen om het tramwagenpark te moderniseren. Vierassers, die in Rotterdam in grote aantallen waren aangeschaft, werden voor Amsterdam te duur gevonden. Daarom werd gekozen voor een compromis: de drieasser. Door de Tweede Wereldoorlog vertraagd werden tussen 1948 en 1950 zestig nieuwe motorwagens en vijftig bijpassende bijwagens aangeschaft.
909
Al in de jaren dertig bestonden plannen om het tramwagenpark te moderniseren. Vierassers, zoals die in Rotterdam in grote aantallen waren aangeschaft, werden voor Amsterdam te duur gevonden. Daarom werd gekozen voor een compromis: de drieasser. Door de Tweede Wereldoorlog vertraagd werden tussen 1948 en 1950 zestig nieuwe motorwagens en vijftig bijpassende bijwagens aangeschaft. In 1968 werden de motorwagens 491–550 vernummerd tot 891–950, omdat bussen met dezelfde wagenparknummers werden geleverd. In datzelfde jaar werden twaalf motorwagens verbouwd met een grotere lijnfilmkast en nieuwe deuren.
1236 (ex. 236)
In 1918 leverde Werkspoor bijna 135 motorwagens, herkenbaar aan hun drie zijramen waarmee ze zich onderscheidden van de eerdere Union-wagens. Vanwege hun grote eindbordessen werden ze “Grootbordessers” genoemd. Dankzij deze ruime bordessen met dubbele deuren konden twee reizigers tegelijk in- en uitstappen. Op de treden naar de bordessen stonden in grote witte letters de woorden IN en UIT.
Amsterdamse bijwagens
600
Deze wagen is een replica, in 2000 gebouwd door medewerkers van de Stichting Rijdend Elektrisch Tram Museum. In 1893 nam de Amsterdamsche Omnibus Maatschappij een groot aantal open paardentramwagens in gebruik. Nadat het bedrijf was omgevormd tot de Gemeentetram Amsterdam erfde de nieuwe gemeentelijke vervoerder dit omvangrijke wagenpark. Bijna 200 wagens werden aangepast voor gebruik als bijwagen achter elektrische motorwagens. Daaronder was bijwagen 211, die in 1914 werd vernummerd tot 600 en deel ging uitmaken van de subserie 597–600 (ex-AOM 208–211). De volledige serie open bijwagens van dit type bestond uit de nummers 566–600. Deze wagens boden plaats aan 22 zittende en 18 staande reizigers.
663
GVB 663 is een van de oudste bewaard gebleven Amsterdamse bijwagens.
De wagen kwam in 1913 in dienst, reed tot 1940 in Amsterdam en begon daarna aan een tweede loopbaan bij de NZH. Vervolgens verbleef hij in verschillende musea en opslaglocaties. Sinds 2005 wordt hij gerestaureerd naar zijn historische toestand van 1916.
Het is een bijzonder voorbeeld van de Amsterdamse tramgeschiedenis uit het begin van de twintigste eeuw en een van de weinige bewaard gebleven bijwagens uit deze serie.
731
In 1918 leverde Werkspoor 135 motorwagens, herkenbaar aan de zijramen waarmee ze duidelijk afweken van de eerdere Union-wagens. Vanwege hun grote eindbordessen werden ze “Grootbordessers” genoemd. Dankzij deze ruime bordessen met dubbele deuren konden twee reizigers tegelijk in- en uitstappen. Op de treden naar de bordessen stonden in grote witte letters de woorden IN en UIT. In 1918/19 werd een serie van 180 bijpassende bijwagens geleverd, waaronder deze bijwagen 731.
748
Bijwagen 748 maakt deel uit van de serie van 140 bijwagens met de nummers 701–840, die tussen 1914 en 1918 door Werkspoor werd gebouwd. In 1921 kwamen daar nog veertig door HAWA in Hannover gebouwde bijwagens met de nummers 841–880 bij. Deze 180 bijwagens vormden de grootste serie Amsterdamse bijwagens en reden achter vrijwel alle typen tweeassige motorwagens in de stad. Meer dan een halve eeuw bepaalden ze het beeld op de Amsterdamse tramlijnen.
776
Vanwege het rijgedrag en het geluid van de Type-bijwagens kreeg Werkspoor van de Gemeentetram opdracht een nieuw bijwagentype met een verbeterd onderstel te ontwikkelen. Dankzij dubbele vering en een bijzonder licht onderstel verbeterden de rijeigenschappen aanzienlijk. Door het dak een gewelfde vorm te geven werd de hele wagenbak lichter, wat de bijnaam “onderzeeër” opleverde. De bordessen hadden dezelfde indeling als de Grootbordes-motorwagens uit 1913, vandaar de naam Grootbordes-bijwagens. De bordessen maakten gescheiden in- en uitstappen mogelijk. Tussen 1914 en 1918 werden 140 bijwagens van dit type gebouwd. In 1921 volgde een nabestelling van 40 identieke bijwagens, ditmaal gebouwd door de Duitse fabrikant HaWa.
792
In 1918 leverde Werkspoor 135 motorwagens, herkenbaar aan hun drie zijramen waarmee ze duidelijk afweken van de eerdere Union-wagens. Vanwege hun grote eindbordessen stonden ze bekend als “Grootbordessers”. Dankzij deze ruime bordessen met dubbele deuren konden twee reizigers tegelijk in- en uitstappen. Op de treden naar de bordessen stonden in grote witte letters de woorden IN en UIT. In 1918/19 werd een serie van 180 bijpassende bijwagens geleverd, waaronder deze bijwagen 792.
946
Bijwagen 946 is een middeninstapper uit de serie 931–950, die in 1930 werd gebouwd door de Rotterdamse firma Allan. Deze serie was een verlengde uitvoering van de eerdere middeninstappers 881–900 en was dankzij het lage middenplatform ontworpen voor een snelle reizigersdoorstroming. Conducteurs waren minder gecharmeerd van deze als “vogelkooi” bekendstaande wagens, omdat zij voortdurend de trappen tussen de verhoogde afdelingen op en af moesten.
961
Deze drieassige bijwagen, gebouwd in 1949 en opgeknapt in 2012, dient waar mogelijk of nodig als vaste bijwagen van drieassige motorwagen 903. Net als de motorwagen werd hij in 1968 gemoderniseerd en voorzien van verbeterde deuren en grotere lijnfilmkasten.
987
Al in de jaren dertig bestonden plannen om het tramwagenpark te moderniseren. Vierassers, zoals die in Rotterdam in grote aantallen waren aangeschaft, werden voor Amsterdam te duur gevonden. Daarom werd gekozen voor een compromis: de drieasser. Door de Tweede Wereldoorlog vertraagd werden tussen 1948 en 1950 zestig nieuwe motorwagens en vijftig bijpassende bijwagens aangeschaft, waaronder deze drieassige bijwagen 987. De bijwagen werd in 1975 buiten dienst gesteld en is nooit verbouwd.
Amsterdamse gelede trams
586
Omdat in Duitsland al gelede trams werden ontwikkeld, besloot de directie van het Gemeentevervoerbedrijf Amsterdam een proefbestelling van 25 gelede trams te plaatsen. Deze trams kregen de typeaanduiding “1G” (eerste serie geleed) en de nummers 551–575. Ze werden in 1957 geleverd. Met hun moderne vormgeving in de kenmerkende lichtgrijs-witte kleurstelling, een pantograaf en een grote lijnfilmkast waarop ook de lijnkleur werd getoond, waren het opvallende nieuwkomers op het Amsterdamse tramnet.
602
Op 9 november 1959 werd het achterste deel van wagen 602 in Amsterdam afgeleverd, gevolgd door het middendeel op 10 november en het voorste deel op 11 november. Op 22 november 1959 kwam motorwagen 602 in dienst op lijn 24. De wagen bood plaats aan 45 zittende en 160 staande reizigers. In april 1969 werd wagen 602 tijdens een revisie halverwege de levensduur verbouwd voor eenmansbediening. De verbouwde 602 kwam op 23 juni 1969 weer in dienst.
776
De Amsterdamse gelede trams van de serie 8G, ook bekend als “luchtwagens”, vormden een serie van 55 dubbelgelede trams (725–779), gebouwd in 1974–1975 door Linke‑Hofmann‑Busch voor het Amsterdamse tramnet. Ze reden van 1974 tot 2003. Speciaal voor Sail 1985 werd wagen 776 blauw geschilderd als de Haventram na herstelwerkzaamheden; de première vond plaats op het Europaplein. Later werd dit de eerste 8G-tram die werd voorzien van vandalismebestendige zitplaatsen.
794
De Amsterdamse gelede trams van de series 9G en 10G, ook bekend als Blokkendozen (“blokkendozen”), waren twee series met in totaal 37 trams, die tussen 1979 en 1981 door de Duitse spoorwegfabrikant Linke‑Hofmann‑Busch werden gebouwd voor het GVB-tramnet. Ze waren bedoeld om de resterende drieassers te vervangen, maar dat doel bleek uiteindelijk onhaalbaar. Tussen 2004 en 2016 waren het de oudste trams die nog in de reguliere dienst reden.
820
De Amsterdamse gelede trams van de series 11G en 12G, ook bekend als trapwagens (“trapwagens”) of hangbuiken (“hangbuiken”), waren twee series met in totaal 45 trams, waarvan er twintig als tweerichtingswagen werden gebouwd. Ze werden tussen 1989 en 1991 geleverd door de Belgische fabrikant La Brugeoise in Brugge, tegenwoordig Bombardier Transportation. Vanaf begin 2016 waren dit de oudste trams die nog in de reguliere dienst reden. Tussen januari en juli 2021 werden ze buiten dienst gesteld. Wagen 820 is van het type 12G.
919
De Amsterdamse gelede trams van de series 11G en 12G, ook bekend als trapwagens (“trapwagens”) of hangbuiken (“hangbuiken”), waren twee series met in totaal 45 trams, waarvan er twintig als tweerichtingswagen werden gebouwd. Ze werden tussen 1989 en 1991 geleverd door de Belgische fabrikant La Brugeoise in Brugge, tegenwoordig Bombardier Transportation. Vanaf begin 2016 waren dit de oudste trams die nog in de reguliere dienst reden. Tussen januari en juli 2021 werden ze buiten dienst gesteld. Wagen 919 is van het type 11G.
Metro
Zilvermeeuw
Metrostel 23, bijgenaamd Zilvermeeuw en het enige bewaard gebleven stel van de allereerste Amsterdamse metrotreinen, krijgt een tweede leven. Bij SBCAVM wordt het metrostel gerestaureerd, zodat het opnieuw aan het publiek kan worden getoond.
De Zilvermeeuwen, aluminium “blikjes” in jarenzeventigstijl met een karakteristieke cabine, bleken onder hun huid een verrassend robuust stalen frame te hebben. Veertig jaar lang reden ze betrouwbaar tussen de Amsterdamse binnenstad en Zuidoost. Hun komst had grote invloed op Zuidoost, dat dankzij dit snelle nieuwe vervoermiddel nauw met de rest van de stad werd verbonden. Al één jaar na de opening vervoerde de metrolijn twee keer zoveel reizigers als oorspronkelijk voorspeld.
Uiteindelijk werd alleen stel 23 van de sloop gered, en niet zonder reden: prinses Beatrix en prins Claus gebruikten dit metrostel bij de officiële opening van de lijn in 1977. Ook reed het in 2015 de allerlaatste reizigersrit.
Werkwagens
RR2
De RR2, ofwel Railreiniger 2, werd gebouwd in 1912 en maakt sinds 1978 deel uit van de museumtramcollectie.
P7
De P7 is een pekelwagen, in 1919 gebouwd door Werkspoor en in 1958 door Beijnes tot pekelwagen verbouwd. Hij bleef tot 1989 in dienst en werd daarna buiten dienst gesteld. Bij de Museumtramlijn wordt deze tram gebruikt voor instructiedoeleinden. In de winter zet het GVB hem bij sneeuw en ijs nog altijd in om belangrijke infrastructuur met pekel te besproeien.
H47
De ex-330 is onze rangeerwagen. Hij is uitgerust met een dieselmotor en gelijkrichter, waardoor hij zonder bovenleiding kan rijden. De H47 is onlangs gereviseerd en heeft nieuwe assen met bredere wielflenzen gekregen. Daardoor kan hij in theorie weer op de lijn rijden, wat de afgelopen jaren niet mogelijk was. De H47 kan ook nog steeds op bovenleidingsspanning rijden.
H80
De H80 is een kleine rangeerlocomotief, in 1941 gebouwd door Du Croo & Brauns. Het GVB nam hem in 1986 in dienst. Sinds 2010 maakt hij deel uit van de collectie van de Museumtramlijn.